Wegens plaatsgebrek in de nieuwste snaveltjeskrant plaatsen we hier de volledige boekrecensie geschreven door onze vrijwilligster Marianne.

Beesten in Boeken: Meester van de Zwarte Molen

We kennen het waarschijnlijk allemaal wel: je leest als kind een boek waar je zo wég van bent dat je je jaren laten nog herinnert waar je het las, wat je er allemaal bij fantaseerde, met wie je het deelde…
Voor mij behoort ‘Meester van de Zwarte Molen’ van Otfried Preussler tot die categorie. Ik weet dat het boek tijdens de zomervakantie van hand tot hand ging bij neefjes en nichtjes, hoe ik het ‘s morgens vroeg in bed lag te lezen, en vooral: hoe ik er met mijn broer over fantaseerde om er een film van te maken. Voor mij stond daarbij de openingsscène vast: een uitgestrekte, nogal desolate en grauwe, bitterkoude sneeuwvlakte met aan de horizon, nauwelijks zichtbaar, drie kleine figuurtjes. En bovenal: het akelige gekras van raven…
Want zo begint het boek. De 14-jarige bedeljongen Krabat wordt in steeds terugkerende dromen door elf raven opgeroepen om naar de watermolen aan het Koselmoeras te gaan. Krabat volgt de oproep en gaat op het aanbod van de molenaar in om niet alleen het molenaarsvak te leren, ‘maar ook al het andere’. Stukje bij beetje ontdekt Krabat dat dat ‘andere’ de zwarte magie is.
Krabat woont op de molen samen met elf andere molenaarsgezellen en de meesterknecht Tonda wordt zijn vriend. Als op het einde van zijn eerste leerjaar Tonda op een gewelddadige wijze om het leven komt en de andere jongens daar gelaten op reageren, beseft Krabat hoezeer de Meester van de Zwarte Molen hen in zijn macht heeft. Ontsnappen blijkt alleen te kunnen door de liefde van een meisje, maar de Meester is sterk en lijkt alom tegenwoordig.
‘Meester van de Zwarte Molen’ is een ouwetje: het verscheen in 1971 (in 1972 in het Nederlands). Maar niet alleen is het na meer dan 45 jaar nog fris en helder, het is ook voor volwassenen fijne literatuur.

Een prominente rol is in het boek weggelegd voor raven – zij het dan dat het eigenlijk de molenaarsgezellen zijn die zich erin veranderen om de lessen in zwarte magie bij te wonen.
Raven behoren tot de familie van de kraaiachtigen. Van die familie komen er in het VOC heel wat ‘op bezoek’: in 2016 vingen we 139 kauwen, 90 kraaien, 69 eksters en 25 gaaien op.
Kraaiachtigen helpen het insectenbestand in te tomen en overleven zelfs in de meest barre omstandigheden. Deze bonte familie heeft een erg uitgebreid dieet. Insecten, eieren, slakken en zelfs jonge vogels of zoogdieren slokken ze probleemloos naar binnen. Ook maïs of vruchten staan op hun menu. Het zijn echte alleseters.
En lijken de leden van deze familie uiterlijk erg op elkaar? Wellicht zijn de ekster en de gaai het gemakkelijkst te herkennen, omdat ze kleurrijker zijn dan de andere. Laten we ze even op een rijtje zetten:
De kraai is zo’n 48 tot 53 cm lang en weegt ongeveer 400 à 600 gr. Hij is helemaal zwart, snavel inbegrepen, vaak met een wat groenige tot blauwachtige glans over de veren. Hij kraait niet, maar krast: ‘kraa-kraa-kraa’. Kraaien leven eerder solitair en nestelen niet in kolonies. Ze zijn erg intelligent.
De kauw is kleiner dan de kraai (34 tot 39 cm lang) en heeft een zilvergrijze schijn op kop en borst. Hij lijkt zo een zwart petje te dragen. Kauwen komen meestal in groepen of paren voor en foerageren vaak gezamenlijk in weilanden en wegbermen, ook binnen de bebouwde kom. Hun bekendste roep is hun naam: ‘kauw kauw’, maar binnen de groep hebben ze een uitgebreid communicatiesysteem.
Kauwen zijn de enige holenbroeders onder de kraaiachtigen en nestelen meestal in groepen, in bomen, gewelven van kerken en elders ook wel op rotswanden en in schoorstenen. Dat laatste is een probleem, waarvoor het VOC regelmatig wordt opgeroepen. Om te beletten dat er kauwen nestelen in je schouw, dek je best alle openingen af met een stevig metalen rooster. Door ten laatste in februari een metalen (bij voorkeur inox) roostertje te plaatsen op de rookgaten, blijft je schouw kauwvrij. De maaswijdte mag max. 3 cm bedragen, anders wringen de vogels zich er toch doorheen. In het verleden werd vaak gaasdraad gebruikt om de gaten af te schermen, maar die bleek niet bestand tegen de krachtige snavel van de vindingrijke vogels. Zorg ervoor dat je het rooster stevig vastmaakt.
De ekster is met zijn opvallende zwart-witte verenkleed één van de gemakkelijkst te herkennen vogels. De vogel is 40 tot 51 cm lang, inclusief de staart die zo’n 20 tot 30 cm meet.
Eksters vormen met de uitgevlogen jongen nog een tijd een gezin, maar ze leven ’s zomers niet in groepen zoals de kauw vaak doet. Wel kunnen de juveniele eksters in groepen voorkomen.
Het is een fabeltje dat eksters blinkende objecten zouden verzamelen (meestal ‘stelen’ genoemd) of zelfs eten. Eksters zijn wel nieuwsgierige vogels en onderzoeken alles wat voor hen nieuw is.
In de loop der eeuwen duikt de ekster vaak op in het bijgeloof. Van oudsher werden ze beschouwd als ongeluksvogels, die, in grote lawaaierige groepen, de voorbode zouden zijn van een naderende oorlog dan wel van slecht weer… Eén ekster brengt onheil, twee daarentegen geluk.
De gaai (vroeger: Vlaamse gaai) valt op door zijn blauw gestreepte schouderveren en beige-achtige pluimen. De gaai is 32 tot 35 cm lang. De vogel kan bij opwinding de kruinveren opzetten, deze zijn afwisselend licht van kleur met zwart.
Met de sterke snavel hakt de gaai gaten in harde omhulsels als slakkenhuizen, notendoppen en eierschalen en doorwoelt hij bodem, dierenpoep en menselijk afval.
De eik is afhankelijk van de gaai voor het verspreiden van eikels: de gaai vervoert ze in zijn keel en tussen zijn snavel naar plaatsen met een zachte ondergrond, waarna hij ze in de aarde duwt. Zo legt hij een wintervoorraad aan. Hij vergeet alleen een aantal plekjes. Wat niet teruggevonden wordt, kan uitgroeien tot een nieuwe eik. Om deze reden wordt de gaai ook wel ‘de grootste bosbouwer’ genoemd.
Behalve deze soorten, die regelmatig te gast zijn in het VOC, behoren ook nog de roek en de raaf tot de familie van de inheemse kraaiachtigen.
De roek is ongeveer even groot als de kraai (ongeveer 46 cm) maar heeft twee typische kenmerken die hem van de kraai onderscheiden: zijn snavel heeft een opvallende kale plek aan de snavelbasis en het bovendeel van de poten is met wat veren bedekt: de roek-met-de-broek. Het verenkleed is zwart met een blauwige tot violette metaalglans.
Roeken zijn zeer sociale dieren, je ziet ze dan ook zelden alleen. Gezamenlijk zoeken ze voedselgebieden en slaapplaatsen op, vaak in gezelschap van de kauwtjes. Roeken vertonen ook vaak speels gedrag zoals dingen laten vallen en opvangen of samen op een tak zitten te schommelen.
Net als de andere kraaiachtigen is de roek monogaam.
De raaf tenslotte is beslist de grote broer binnen de familie: met zijn 64 cm heeft hij het formaat van een buizerd. En er valt goed nieuws te melden over deze kanjer…
Tot voor kort zou ik de raaf immers niet onder het hoedje ‘inheems’ hebben durven vangen: vorige eeuw viel decennialang geen broedende raaf meer te bespeuren in ons land. De zwarte superopruimer stierf zelfs officieel uit als Belgische broedvogel.
Maar uit een recent artikel van Natuurpunt blijkt dat de raaf vanaf 1980 aan zijn comeback begon. Eerst nog subtiel, maar de laatste jaren duikt hij almaar vaker op. Enkel West- en Oost-Vlaanderen laat hij nog links liggen.
Omdat raven soms moeilijk te onderscheiden zijn van kraaien, is het moeilijk om de precieze verspreiding of de betrouwbaarheid van gegevens in te schatten. Ondanks zijn formaat, worden raven al snel over het hoofd gezien in bosgebieden. Maar waarnemers die vertrouwd zijn met de roep (krokk krokk krokk) zullen de soort snel opmerken. Puur op het zicht heb je best een kraai ter vergelijking, want behalve de wigvormige staart zijn veel van de andere kenmerken erg relatief. Een afzonderlijke vogel louter op grootte determineren blijft namelijk heel subjectief.
Is er een reden waarom Otfried Preussler de raaf kiest voor zijn verhaal over tovenarij en boosaardigheid, tegen het christelijke geloof? Of hij het bewust heeft gedaan, weet ik niet, maar kraaiachtigen in het algemeen en de raaf in het bijzonder hadden in het (volks)geloof – vooral in de West-Europese traditie – beslist een slechte naam. Volgens Genesis, het eerste boek van de Bijbel, liet Noach op het einde van de zondvloed een raaf los om te zien of er al land in zicht was. De raaf keerde echter niet terug. Daarop liet Noach een duif los, die wel terugkeerde. Wellicht is de raaf daarom het symbool van de neergang, van de dood, van de zonde en van de wereldse lusten.
Hun zwarte kleur en het feit dat ze aaseters zijn die in het voorjaar hun dieet aanvullen met eieren en jonge vogels, samen met deze negatieve connotatie die te gemakkelijk in ons onderbewuste blijft hangen, zorgt ervoor dat de kraaiachtigen bij brede lagen van de bevolking op weinig sympathie kunnen rekenen. En dat is bijzonder jammer voor deze zeer intelligente en sociale dieren.

Tot slot nog dit: de zomervakantie komt eraan! Wie durft het aan om, net als ik zoveel jaren geleden, een duik te nemen in een spannend tovenaarsverhaal?
Of ben je toch eerder een filmfan? ‘Meester van de Zwarte Molen’ werd in 2008 verfilmd door Marco Kreuzpaintner. De film is tamelijk trouw aan het boek, maar er ontbreekt ‘iets’: de magie, de échte magie die ervoor zorgt dat je je kan laten meeslepen, zoals een kind zich vòòr de dag begint kan laten meeslepen door een boek.

Otfried Preussler, Meester van de Zwarte Molen, uitg. Lemniscaat
ISBN 9789060691281

Meester van de Zwarte Molen, regie Marco Kreuzpaintner, 115 min.
Duitsland 2008

Reacties zijn gesloten.