DSK1-2012

Wie kent er de merel niet? Iedereen toch! Of niet?

merel01
Wel, een geschiedenisles leert ons dat men tot 1850 deze vogel nauwelijks kende. De schuwe merel leefde teruggetrokken in het dichte kreupelhout van de Europese loofbossen. De merel was een cultuurvlieder, dat betekent dat hij de nabijheid van de mens vermeed. Vanaf de 19° eeuw is de merel stilaan een cultuurvolger geworden. Pas vanaf de 20° eeuw beschrijft men de merel als een vogel die ‘door iedereen gekend is’.

mereldkaart
Wanneer je Tijdens de les aardrijkskunde de kaart bekijkt, zie je dat de merel overal in Europa voorkomt, behalve in het uiterste Noorden omdat daar geen bomen zijn en het er voor hem te koud is.
De merel komt ook voor in een groot deel van Azië en in Noord-Amerika. De merel werd ook ooit uitgezet in Australië en in Nieuw-Zeeland, maar daar ziet men onze tuinfluiter als een plaag.
In de biologieles vernemen we dat de Turdus Merula een vogel uit de lijsterfamilie is. De merel is ongeveer 25 cm groot en heeft een spanwijdte van 34 tot 39 cm. Hij weegt tussen de 80 en de 110 gram.
Het verenkleed van de mannetjes, vrouwtjes en jongen is duidelijk verschillend. Het mannetje is egaal zwart, hij heeft een gele oogring en een opvallende oranje spitse snavel.
Het verenkleed van het vrouwtje is lichtbruin op de rug en donker gevlekt in een onduidelijk patroon op de onderzijde. Ze heeft een bruingele snavel.
Het jong is gemberkleurig en heeft bleke strepen op de rug.

Vanaf half maart tot begin augustus heeft de merel maar één ding op de agenda staan: de voortplanting.
Het mannetje heeft het bijzonder druk met het afbakenen van zijn territorium, hij loopt dan dikwijls rond met uitgespreide staart en opgezette stuitveren.
Het vrouwtje houdt zich bezig met de bouw van het nest. Het compacte, diepe holletje is een perfect bouwwerkje van droog gras en mos, bepleisterd met modder.
Het vrouwtje legt meestal 4 eieren. De eieren zijn blauwgroen met geelbruine of roodbruine vlekjes.
Ongeveer 14 dagen later komen de volledig naakte jongen uit het ei. Beide ouders hebben het dan heel druk met het voeren van vruchten, zaden en insecten.
De jongen zitten de hele tijd doodstil in het nest, pas wanneer de ouder landt op de rand rekken ze hun nek en sperren ze hun snavel wagenwijd open.
Nog twee weken later verlaten de jongen het nest al nog voordat ze kunnen vliegen. Daarna blijven ze nog een drietal weken afhankelijk van hun ouders voor voedsel.

Het is in die drie weken dat mereljongen dikwijls onterecht in een VOC terecht komen. De bezorgde dierenvriend merkt het ‚in zijn ogen’ hulpeloze jong op dat nog niet kan vliegen. Toch slagen deze jongen er perfect in om zich schuil te houden in dicht struikgewas. Het verenkleed van het vrouwtje en de juveniel vormt een perfecte camouflage. Ook de ouders hebben het jong niet in de steek gelaten maar zorgen er prima voor. Vorig jaar kwamen er 289 mereljongen in het VOC terecht Het waren bijna allemaal stadsmerels. Hun nesten zijn vaak makkelijk te vinden waardoor veel eieren en jongen de prooi worden van katten, eksters en kraaien. De stadsmerels compenseren dit natuurlijk verlies door veel jongen groot te brengen. Een stadsmerel kan tot vier nesten per jaar hebben, een bosmerel twee.

In de muziekles behaalt onze tuinfluiter beslist hoge punten. De merel is een luidruchtige en uitbundige zanger. Op vroege lentedagen heeft hij een groot deel in de ochtend- en avondconcerten.

Het merelmannetje zoekt een hoge en duidelijke uitzichtpost uit zoals de top van een boom of de nok van een dak. Zijn zang is gewoonweg subliem. De merel tovert een
welluidend melancholisch lied met veel variaties tevoorschijn uit zijn keel.
Maar wanneer er een predator in de buurt is, meestal een kat, schakelt de merel over op een aanhoudende alarmroep. Met luide, scherpe en ratelende “tsjink-tsjink-tsjink” tonen probeert hij te waarschuwen voor het gevaar.

Merels houden ook onderling contact met elkaar en gebruiken dan een fijn rollend “tsrrrie”. De merel is de enige echt zingende vogel in onze verstedelijkte gebieden.

Een les voedingsleer vertelt ons dat de merel een alleseter is. Zijn menu is heel gevarieerd en bestaat uit wormen, insecten, bodemdiertjes, bessen, fruit en zaden. Met zijn grote spitse snavel kan hij gemakkelijk zaden en groter voedsel eten. De merel lust ook brood en zelfs afval. Zijn aanvallen op fruitbomen, vooral kersen, maken hem bij de fruittelers niet geliefd.
De merel zoekt zijn voedsel vooral op de grond tussen de bladeren, in het mos of in jouw grazig gazonnetje. Wanneer de merel landt wippen zijn staartveren even omhoog.
Daarna begint hij met veel energie in de grond te hakken daarbij bladeren en mos opwerpend, hij zoekt zo naar insecten en bodemdiertjes. De merel is een oog jager, dat betekent dat hij met zijn ogen de grond afspeurt op Zoek naar een prooi. De merel hipt een paar pasjes en houdt dan de kop schuin om te kijken of er al een worm naar boven
kruipt die hij dan snel uit de grond pikt. Daarna herhaalt alles zich, hij trappelt opnieuw een paar pasjes, houdt de kop links of rechts tot de worm omhoog komt.
Men beweert wel eens dat merels de wormen kunnen horen kruipen. Meer waarschijnlijk is het dat hij door zijn getrippel de aarde doet trillen
met als gevolg dat de wormen naar
boven kruipen.

Een merelse legende:
“| giorni della merla”
In het vroeg Romeinse Rijk telde het kalenderjaar maar 304 dagen. De 61 winterdagen werden gewoon niet meegeteld omdat er in die koudste periode geen zon was.

In 713 v Chr voegde koning Numa Pompilio de maanden januari en februari toe bij de kalender. Januari werd dus wel de eerste maand van het jaar maar telde slechts 28 dagen. De jaloerse maand voerde een echt schrikbewind, hij liet het hagelen en sneeuwen en blies ijskoude poolwind over het land. De dieren die geen goede schuilplaats gevonden hadden
wachtte een onbarmhartige bevriezingsdood.

Ook de merel, die in die tijd nog een bont verenkleed droeg, moest elk jaar opnieuw zien te overleven. Pas wanneer februari begon werden de tijden iets minder hard voor de dieren. De dagen werden langer, de temperatuur begon te stijgen. En wanneer de lente weer in het land was zong de merel opnieuw zijn hoogste lied.

Maar januari keerde telkens weer en steeds wachtte januari geduldig op een moment van zwakte en wanhoop van de merel.

Toen op een mooie dag in april kreeg de merel bezoek van een Vlaamse leeuwerik die van zijn overwinteringplaats terug naar Vlaanderen keerde.
De leeuwerik leerde de merel alles over het bewaren van zaden en vruchten. De merel was een snelle leerling en legde in een holte van een oude boom een grote wintervoorraad aan. Januari kwam, maar de merel liet zich niet zien. De voorraad van de merel was zo groot dat hij gemakkelijk de hele winter kon binnenblijven.

‘Toen januari begreep dat hij bij de neus werd genomen gooide hij het op een akkoord met februari. Februari die ook al geen echte vogelliefhebber was schonk zijn drie eerste dagen aan januari.

Toen de merel de kalender omsloeg van januari op februari voelde hij zich diep gelukkig. Hij hipte blij naar buiten, vloog naar de hoogste boomtop en zette zijn mooiste lied in. Maar plots stokte zijn mooiste serenade hem in de keel. In de wolken stond het woord “januari” geschreven. Dit kon toch niet … Opeens werd hij door tien ijskoude vingers vastgegrepen en in de lucht gegooid terwijl het messcherpe ijspegels begon te regenen.
“Vluchten” dat was alles wat de merel op dat moment kon denken. Maar ondertussen kwetsten de ijspegels zijn vleugels. De arme vogel viel naar beneden. Maar onze merel had geluk, hij viel recht in de schoorsteen van een kleine herderswoning.
In de schoorsteen was het droog en lekker warm, de merel verzorgde zijn wonden, rustte uit en wachtte af. Drie dagen lang duurde de tirannie van januari nog.
Toen de merel uiteindelijk uit de schoorsteen tevoorschijn kwam was zijn verenkleed helemaal bedekt met een diepzwarte roetlaag. En hoe hij ook poetste, zijn kleuren kwamen niet meer terug. Toch was de merel heel gelukkig omdat hij het overleefd had. En precies omdat de merel toch de uiteindelijke overwinnaar was, worden de 3 koudste dagen van het jaar in Italië “de dagen van de merel” genoemd.

In zijn boek ‘Histoires Naturelles” schreef Jules Renard in 1899: “De witte merel bestaat, maar hij is te wit om hem te kunnen zien. De zwarte merel, die je wel ziet, is in feite alleen maar zijn schaduw.”
Henri de Toulouse-Lautrec illustreerde de dierenverhalen met 22 lithografieën.
Er werden maar 100 exemplaren van het boek uitgegeven die amper uitverkocht raakten. Vandaag is het één van de meest gezochte werken.

Een witte merel gezien? __ Een witte merel… is in feite een witte raaf!
De Franse uitdrukking ‘un Merle Blanc” betekent in het Nederlands ‘een witte raaf”. Daarmee bedoelt men een zeldzaamheid, iets wat zelden voorkomt.

Een witte merel gezien?
Een witte merel… of een wit met zwarte merel?

Zoals bij de meeste diersoorten het geval is, komt ook bij de merel soms een albino-vorm voor. Dat is het gevolg van het ontbreken van pigment in huid en veren. Het
verenkleed is dan volledig wit. De poten en de snavel zijn bleek en de oogiris is rood.
Albinisme komt bij merels zelden voor. We kunnen dus stellen dat een witte merel werkelijk een witte merel is.

Of heb je een wit met zwarte merel gezien?

Sommige merels vertonen een kleurmutatie: leucisme. Dat wil zeggen dat er wel pigmentstoffen aanwezig zijn in de veren, maar ze zijn slecht verdeeld. Het verenkleed van deze merel is dan zwart met enkele witte pluimen tot zelfs wit met nog enkele zwarte veren.
Een aantal wetenschappers is van mening dat leucisme een gevolg is van eenzijdige voeding. Leucisme komt ook bij andere vogelsoorten voor o.a. kauw en kraai.
Wanneer je de merel een warm dierenhart toedraagt, plant dan inheemse houtachtige planten en lage struiken in je tuin zoals vlier, meidoorn, lijsterbes, botanische rozen, wilde liguster, klimop. Wanneer je de merel extra wil verwennen denk dan aan lijsterbes en zoete kersen.
Maak je niet druk wanneer de merel, hakkend in de grond, mos en bladeren opwerpt of je grazig gazonnetje bewerkt Hij verlucht daarbij de bodem en ruimt tegelijkertijd schadelijke ongewervelden op.

Voor de merel moet je geen nestkast ophangen. Het merelvrouwtje zoekt een plekje tussen dichte struiken of in klimop, maar ook onder een afdak of in een dakgoot.

In de winter kan je onze tuinfluiter helpen door rottende appels, kersen, bessen en zaden op de grond te leggen. Als waardering krijg jij tijdens de lente zijn mooiste lied.